HORMONALE THERAPIE BIJ PROSTAATKANKER
H.J. Scholten, arts
In het begin van de jaren 40 van de vorige eeuw ontdekten
Huggins en Hodges dat door het verwijderen van de testikels de botpijn van
gemetastaseerd prostaatkanker binnen enkele dagen verdween. Ze toonden
hiermee aan dat het hormoon testosteron een hoofdrol speelde bij het
instandhouden van de tumorgroei. Alle moderne vormen van hormonale
therapie bouwen hier op voort, ofwel ze onderdrukken de productie van
testosteron ofwel ze blokkeren de werking van testosteron. Er is geen
enkele andere vorm van kanker die zo spectaculair reageert op hormonale
therapie als prostaatkanker. Bij borstkanker en baarmoederkanker wordt wel
hormonale therapie toegepast om de effecten van oestrogenen tegen te gaan,
maar de resultaten daarvan halen het niet bij die van prostaatkanker.
Hormonale therapie is zelden genezend, na verloop van tijd komt de tumor
bijna altijd terug. Dit kan vele jaren duren, vooral als vroeg met de
behandeling begonnen wordt. Niet zelden overlijdt de patiënt intussen aan
een andere ziekte. Over het resistent worden van tumoren voor hormonale
therapie komen we later nog te spreken.
Eigenlijk is hormonale therapie een verkeerde naam, antihormonale therapie
zou beter zijn. Omdat het gebruikelijk is over hormonale therapie te
spreken zal ik dit ook doen, ondanks mijn bezwaren tegen de term.
Wanneer hormonale therapie?
De hoofdindicatie voor hormonale therapie is prostaatkanker die is
uitgezaaid naar de lymfeklieren, botten of andere organen. Een tweede
indicatie is bij PSA-stijgingen bij patiënten die eerder een operatie (radicale
prostatectomie), bestraling of brachytherapie kregen. Dit zijn de
belangrijkste indicaties.
Daarnaast wordt soms hormonale therapie gegeven vlak voor en tijdens een
bestralingsbehandeling met het doel de tumor te laten krimpen zodat de
bestraling gerichter kan plaatsvinden. In enkele behandelingscentra gaat
men ook na de bestraling nog door met hormonale therapie. Heel soms wordt
ook hormonale therapie gegeven bij lokaal prostaatkanker als
hoofdbehandeling.
Voor een goed begrip bespreken we nu eerst de hormonale as, het begrip
receptor en de rol van de bijnieren. Dan een bespreking van de
verschillende vormen van hormonale therapie (waaronder intermitterend) en
de medicijnen die hierbij gebruikt worden. Tenslotte de voor- en nadelen
van de verschillende behandelingen, enkele opmerkingen over timing en een
korte bespreking van theorieën over het resistent worden voor hormonale
therapie.
VOOR EEN GOED BEGRIP
De hormonale as
Testosteron wordt gemaakt in de testikels onder invloed van het
hypofysehormoon LH (Luteinizing Hormone). De hypofyse is gelegen in de
hersenen. De productie van LH stijgt tijdens de puberteit sterk en de
testikels nemen hierdoor toe in omvang. De hoeveelheid testosteron in het
bloed wordt nu aanzienlijk hoger.
De hypofyse op zijn beurt wordt weer gecontroleerd door de hypothalamus,
ook gelegen in de hersenen. Door het afscheiden van LHRH ( Luteinizing
Hormone-Releasing Hormone) stimuleert de hypothalamus de hypofyse om LH te
maken. De hypothalamus is te vergelijken met een thermostaat. Zodra de
testikels onder invloed van LH testosteron gaan produceren en het
testosteron in het bloed komt wordt dit opgemerkt door sensoren in de
hypothalamus. Bij een bepaalde hoogte van de bloedspiegel testosteron gaat
de hypothalamus minder LHRH afscheiden waardoor de hypofyse ook weer
minder LH en de testikels minder testosteron produceren. Zo ontstaat een
zeker evenwicht. De normale bloedspiegels testosteron bij een volwassen
man liggen tussen de 12-35 nmol/liter. De meest gebruikte hormonale
medicijnen tegen prostaatkanker zijn werkzaam door directe beïnvloeding
van de hormonale as waardoor minder LH geproduceerd wordt.
Androgeen receptoren
Hormonen maar ook tal van medicijnen oefenen hun invloed uit via
receptoren. Receptoren liggen in de cel en zijn op te vatten als een soort
aanlegplaatsen voor hormonen en medicijnen, zoals stukjes puzzel in elkaar
passen. Afhankelijk van de soort stof die op de receptor komt treedt een
bepaald celeffect op. De cellen van de prostaat bevatten
androgeenreceptoren. Androgenen zijn mannelijke geslachtshormonen.
Testosteron is de belangrijkste. Als testosteron een receptor bezet wordt
een signaal aan de celkern gegeven om de cel ondermeer zaadvocht en PSA te
laten produceren. Testosteron wordt in de prostaat voor een groot deel
omgezet in dihydrotestosteron (DHT). DHT heeft een nog grotere affiniteit
voor de receptor (legt nog makkelijker aan) en daardoor een krachtiger
effect. Als bepaalde medicijnen tegen prostaatkanker (waarover later
meer)een receptor bezetten wordt een ander en waarschijnlijk geen signaal
naar de celkern gestuurd, wat resulteert in geen of verminderde productie
van zaadvocht en PSA, alsmede het stoppen van de celdeling.
Bijnieren
De bijnierschors produceert een aantal hormonen waaronder testosteron en
een hele rits andere androgenen. De hoeveelheid testosteron die in de
bijnier geproduceerd wordt is veel kleiner dan die in de testikels, de
hoeveelheid andere androgenen is aanzienlijk. De productie staat niet
onder invloed van LH. Qua structuur verschillen deze androgenen niet veel
van testosteron. Ze hebben ook een zeker vermogen zich aan de receptor te
hechten en kunnen zo een, zij het zwak, effect op prostaatcellen
uitoefenen. Waarschijnlijk belangrijker is dat deze androgenen in de
prostaat ook weer omgezet kunnen worden in Testosteron en DHT. Bij sommige
vormen van hormonale therapie wordt rekening gehouden met deze
bijnierschors androgenen, vooral als een aanvankelijk ingestelde therapie
niet (goed genoeg) werkt.
HORMONALE MIDDELEN NAAR WIJZE VAN WERKING
Dit is, ter algemene oriëntatie, een globale indeling van de verschillende
hormonale middelen naar werkingsmechanisme. Sommigen werken zowel op de
hormonale as als op androgeenreceptoren. In dat geval wordt het middel
hier gerangschikt naar belangrijkste werkingsmechanisme. Verderop bij de
bespreking van de individuele middelen wordt dit verder genuanceerd.
Groep 1
Werkzaam door beïnvloeding van de hormonale as:
Orchiectomie (het wegnemen van de zaadballen)
LHRH-analogen: busereline (Suprefact), leuproreline (Lucrin), gosereline (Zoladex)
Oestrogenen: estradiolpleisters (Climara, Estraderm, Systen, Sandrena),
oestrogeen tabletten (Premarin, Dagynil)
Groep 2
Werkzaam door blokkade van androgeenreceptoren
Anti-androgenen: flutamide (Drogenil, Eulexin), bicalutamide (Casodex),
nilutamide (Anandron), cyproteronacetaat (Androcur)
Groep 3
Werkzaam door vermindering DHT-productie
5-alfa reductase remmers: finasteride (Proscar), dutasteride (Avodart)
Groep 4
Werkzaam door onderdrukking van bijnierandrogenen en testosteron
Aromatase remmers: ketoconazol (Nizoral), aminoglutethimide (Cytadren,
Orimiten)
ADT 1, 2, 3 en 4
Ieder van deze middelen kan als enig medicijn gegeven worden of in
combinatie met anderen. In het eerste geval spreekt men van ADT1 (Androgen
Deprivation Therapy), bijvoorbeeld de patiënt krijgt alleen Lucrin. ADT2
is combinatietherapie met 2 middelen, bijvoorbeeld Zoladex en Casodex.
ADT3 is combinatietherapie met 3 middelen, bijvoorbeeld Suprefact,
Anandron en Proscar. ADT4 is combinatietherapie met 4 middelen,
bijvoorbeeld Lucrin, Eulexin, Avodart en Nizoral.
Merk op dat de verschillende combinatietherapieën altijd preparaten
gebruiken uit verschillende groepen. Casodex en Anandron worden
bijvoorbeeld nooit samen gegeven. ADT is de meest gebruikte afkorting. Een
andere veel gebruikte term is HT (Hormonal Therapy, hier mee wordt meestal
behandeling met 1 middel bedoeld. CHT (Combined Hormonal Therapy, meestal
wordt hiermee bedoeld ADT2). CHT3 is hetzelfde als ADT3. Ook ziet men wel
AB1,2,3,4, (Androgeen Blokkade). Hier wordt in het vervolg ADT aangehouden,
want dit is het meest gebruikelijk.
Continu of intermitterend
Ieder van de bovengenoemde middelen of combinatie van middelen kan continu
of periodiek gebruikt worden. Hoewel een kentering waarneembaar is, is
continue behandeling nog steeds het gebruikelijkst. In Nederland wordt in
de meeste gevallen ADT1 toegepast en als dit minder werkzaam wordt
uitgebreid naar ADT2 of ADT3. In de VS begint men meestal meteen met ADT2.
In jargon heet periodieke hormonale behandeling intermitterende therapie.
De periode dat men middelen gebruikt heet de “on-periode”, de periode dat
men niets gebruikt de “off-periode”. In de on-periode gaat men net zolang
door tot een bepaalde PSA waarde is bereikt (meestal tot onmeetbaar dwz <
0,1 ng/ml) gevolgd door nog een tijd van enkele tot meerdere maanden en
dan stopt men. Geleidelijk aan zal in de off-periode het testosteron weer
gaan stijgen en daarmee het PSA. Bij een bepaalde hoogte van het PSA,
meestal ergens tussen de 4 en 20 ng/ml, begint men weer met een nieuwe on-periode.
Men kan tijdens de verschillende on-periodes verschillende vormen van ADT
toepassen. Intermitterende therapie is ook mogelijk voor wie een
orchiectomie heeft ondergaan. Alleen krijgt men dan gedurende de off-periode
testosteronpleisters, waardoor de normale situatie wordt nagebootst. Op de
voor- en nadelen van intermitterende therapie wordt in het laatste
hoofdstuk ook nog ingegaan.
MIDDELEN WERKZAAM DOOR BEINVLOEDING VAN DE HORMONALE AS
Orchiectomie
Orchiectomie is het verwijderen van de zaadballen. Dit is een kleine
poliklinische ingreep waarbij men meestal dezelfde dag nog naar huis kan.
Daar het productieorgaan verwijderd wordt kan er geen testosteron meer
geproduceerd worden, afgezien van kleine hoeveelheden uit de bijnieren.
Daar er geen of nauwelijks nog testosteron in het bloed circuleert stijgt
via de hypothalamus-hypofyse as het LH maar dit kan geen effect meer
uitoefenen. Orchiectomie is de snelste en meest effectieve manier om
castraatwaarden testosteron te bereiken (<0,7 nmol/liter). De reden dat
orchiectomie nog zelden toegepast wordt is puur om psychologische redenen.
Orchiectomie wordt bijna alleen nog uitgevoerd bij patiënten die zich voor
het eerst presenteren met pijnlijke metastasen die niet reageren op
morfine of met een dreigende dwarslaesie, waarbij snel handelen gewenst
is. Orchiectomie werkt direct.
De belangrijkste bijwerkingen van orchiectomie zijn verlies van libido en
opvliegers. Opvliegers komen vooral vlak na de ingreep voor en worden bij
de meest patiënten geleidelijk minder of verdwijnen. Op lange termijn
kunnen bloedarmoede, moeheid, verlies van spiermassa en botontkalking
optreden. Dit is een groot nadeel en geldt ook voor de LHRH analogen die
hieronder besproken worden.
LHRH-analogen
Zoals de naam al zegt lijken LHRH-analogen op het door de hypothalamus
geproduceerde LHRH. De structuren van de analogen zijn nagenoeg gelijk aan
het origineel. Het grote verschil is dat de analogen continu worden
afgegeven door de depotinjectie terwijl het lichaamseigen LHRH met korte
pulsjes vrijkomt. Met LHRH-analogen worden hogere en meer constante
bloedspiegels bereikt dan onder normale omstandigheden.
Het effect van een en ander is dat na een injectie de hypofyse continu aan
een hoge concentratie LHRH wordt blootgesteld. Aanvankelijk resulteert dit
in meer LH productie en dus meer testosteron (de zg “flare”,zie hieronder),
maar door de continue blootstelling raakt de hypofyse al snel “uitgeput”
en is het niet meer in staat LH hoeveelheden van enige betekenis te
produceren. Ongeveer 2 weken na de injectie daalt de concentratie
testosteron in het bloed tot zeer lage waarden en is binnen een maand
meestal op castraatniveau.
Flare is het verschijnsel dat de eerste week na een injectie met een LHRH
analoog door LH stimulatie zeer hoge testosteron concentraties in het
bloed kunnen komen, waardoor de tumor in korte tijd sterk kan groeien.
Hoewel zeldzaam kan het gevolg hiervan een dwarslaesie zijn doordat een
wervelmetastase zenuwbanen afknijpt, ook kan urineretentie (niet kunnen
plassen) ontstaan door groei van lokale tumor.
Om deze reden geeft men 1-2 weken voor en 1-2 weken na de eerste injectie
met een LHRH-analoog tevens een antiandrogeen. Het antiandrogeen blokkeert
de androgeen receptoren waardoor het tijdelijk stijgend stijgend
testosteron geen groei-effect meer kan hebben op de tumor.
Merknamen
In Nederland zijn 3 LHRH-analogen op de markt: Busereline (Suprefact),
leuproreline (Lucrin en gosereline (Zoladex). Deze middelen zijn geheel
gelijkwaardig en te verkrijgen in 1 en 3 maands depot preparaten. Lucrin
onderscheidt zich door toediening via intramusculaire (in de spier) of
subcutane (onderhuidse) injecties in plaats de van implantatiestaafjes bij
Zoladex en Suprefact.
De bijwerkingen zijn dezelfde als na orchiectomie. Soms komen
ontstekingsreacties voor op de plaats van injectie.
Oestrogenen
Tot de komst van LHRH-analogen en anti-androgenen aan het eind van de
jaren 80 waren orchiectomie en oestrogenen de belangrijkste vormen van
hormonale therapie. Oestrogenen werden vrijwel alleen gegeven in de vorm
van DES, een synthetisch oestrogeen. Uit vergelijkende trials in de jaren
80 bleek dat de LHRH-analogen even effectief waren als oestrogenen maar
met minder bijwerkingen en zonder de cardiovasculaire risico’s (trombose,
hartinfarct) van DES. Het gebruik van oestrogenen daalde daarna sterk. De
laatste jaren worden oestrogenen weer meer voorgeschreven.
Ondanks de grote verschillen in effecten lijkt het oestrogeen molecuul
veel op testosteron, zoveel dat de sensoren in de hypothalamus beide
hormonen als gelijken ziet. Bij therapeutische bloedspiegels oestrogeen
reageert de hypothalamus dan ook alsof er veel testosteron in het bloed
zit en vermindert de afscheiding van LHRH sterk met als gevolg een
evenredige daling van de LH productie met als uiteindelijk gevolg daling
van het testosteron tot castraatwaarden.
Als oestrogenen al worden voorgeschreven, dan worden ze vrijwel altijd pas
ingezet nadat andere hormonale behandelingen niet meer werken. Althans dat
is de klinische praktijk maar er zijn goede argumenten oestrogenen en met
name de pleisters eerder in te zetten. Meer hierover verderop.
Merknamen
Oestrogenen zijn er in pleisters en tabletten. De pleisters bevatten
estradiol, het belangrijkste oestrogeen. Bekende merknamen zijn Climara,
Estraderm, Sandrena en Systen. Deze middelen zijn farmaceutisch
gelijkwaardig alleen het afgiftesysteem van de pleisters verschilt.
Tabletten bevatten zg geconjugeerde oestrogenen, dit is een mengsel van
natuurlijk voorkomende oestrogenen. Bekende merknamen zijn Premarin en
Dagynil. DES, merknaam Honvan (bevat fosfestrol dat in de lever omgezet
wordt in DES) , is in Nederland niet meer te krijgen.
Bij slikken van oestrogenen wordt een deel door de lever gemetaboliseerd
waarbij stofwisselingsproducten vrijkomen die in verband worden gebracht
met een vergrote kans op trombose en infarcten. Bij pleisters komt het
oestrogeen direct in het bloed en wordt de lever omzeild. Hierdoor zijn de
risico’s met pleisters waarschijnlijk minder. Niettemin wordt ook in de
bijsluiterteksten van pleisters voor cardiovasculaire risico’s
gewaarschuwd.
Overige bijwerkingen zijn ondermeer: borstvorming (kan zeer aanzienlijk
zijn) en pijnlijke borsten, vasthouden van vocht, hoofdpijn. Op de plaats
waar pleisters worden geplakt kan huidirritatie ontstaan.
MIDDELEN WERKZAAM DOOR BLOKKADE VAN ANDROGEENRECEPTOREN
De zg. anti-androgenen werken door zich te hechten aan de
androgeen-receptoren van de prostaat en tumoren van de prostaat en
eventuele metastasen daarvan. Zoals al uitgelegd in het hoofdstukje
androgeen receptoren kan het testosteron hierdoor zijn groeibevorderende
werking niet meer uitoefenen.
Het testosteron daalt niet zoals bij gebruik van LHRH analogen, sterker
nog, het stijgt in de meeste gevallen. Niet alleen in de prostaat en in
tumoren bezetten de anti-androgenen de androgeen receptoren maar ook in de
sensoren van de hypothalamus. Hierdoor “denkt” de hypothalamus dat er te
weinig testosteron is en gaat extra LHRH maken wat resulteert in meer LH
en zo weer in meer testosteron. Iemand die een anti-androgeen gebruikt als
enige therapie heeft dus een hoog testosteron in het bloed, maar dit
testosteron kan geen effect meer uitoefenen.
Anti-androgenen worden bijna altijd gedurende een korte tijd, 2 tot 4
weken, gegeven bij het begin van een behandeling met LHRH analogen ter
voorkoming van een mogelijke flare reactie.
Anti-androgenen worden vaak toegepast samen met LHRH-analogen (ADT2).
Hierdoor worden ook de kleine hoeveelheden testosteron die nog door de
bijnieren geproduceerd worden onschadelijk gemaakt. Door de combinatie met
een LHRH analoog daalt het testosteron niveau nu wel tot castraatwaarden.
Over voor- en nadelen van ADT2 ten opzichte van ADT1 komen we in het
laatste hoofdstuk nog te spreken.
Naast bovengenoemde 2 toepassingen worden anti-androgenen de laatste jaren
ook als enige behandeling voorgeschreven, de zg monotherapie. Hiervoor
wordt vrijwel uitsluitend Casodex gebruikt, meestal in een hoge dosering.
Het grote voordeel van deze behandeling is dat er in mindere mate
libidoverlies optreedt omdat ipv castraat het testosteron zelfs hoger dan
normaal is. Belangrijk voor de lange termijn bij chronische behandeling is
minder verlies van bot- en spiermassa. Hierover later meer.
De belangrijkste bijwerkingen van anti-androgenen zijn borstvorming en
gevoelige borsten. De reden hiervan is dat door het relatief hoge
testosteron gehalte in het bloed een deel van het testosteron omgezet
wordt in oestrogeen dat de borsten doet groeien.
Het anti-androgeen onttrekkingssyndroom
Het merkwaardige feit doet zich voor dat bij een groot aantal patiënten op
ADT2 therapie waarbij het PSA weer is gaan stijgen, het PSA daalt als ze
stoppen met het anti-androgeen. Dit wordt het anti-androgeen
onttrekkingsyndroom genoemd (internationale afkorting AAWR). De verklaring
hiervoor is dat na verloop van tijd de androgeenreceptor “muteert” en
hierdoor andere eigenschappen krijgt. Het anti-androgeen dat eerst alleen
de receptor blokkeerde wordt door de gemuteerde receptor ook gezien als
een soort testosteron met tumorgroei als gevolg. De eerste maatregel bij
PSA stijgingen bij patiënten op ADT2 is het stoppen van het anti-androgeen.
In ongeveer de helft van de gevallen daalt het PSA hierna. De duur van de
PSA respons varieert van enkele maanden tot meerdere jaren.
Merknamen
Anders dan bij LHRH-analogen zijn de verschillende anti-androgenen
farmacologisch niet hetzelfde. Dit blijkt ondermeer uit het volgende: na
verloop van tijd houdt bijvoorbeeld Casodex op met werken en stijgt het
PSA. Bij een ADT2 behandeling stopt men dan met Casodex in de hoop op een
AAWR. Treedt de AAWR niet op en men geeft dan bijvoorbeeld Anandron dan
wordt soms toch weer een PSA daling gezien. Ook als de AAWR is uitgewerkt
kan men succes hebben met een ander anti-androgeen dan het oorspronkelijke.
Helaas is het bovenstaande vaak ook niet het geval en treedt er geen AAWR
op en/of geen PSA daling na verandering van anti-androgeen. In dat geval
spreekt men van hormoon refractaire prostaat kanker (HRPC).
In Nederland zijn de volgende anti-androgenen verkrijgbaar: flutamide (Drogenil,
Eulexin), bicalutamide (Casodex), nilutamide (Anandron) en
cyproteronacetaat (Androcur). Androcur is een al lang bestaand middel en
binnen deze groep weer een buitenbeentje. Anders dan de andere 3 zg
zuivere anti-androgenen heeft Androcur naast receptorblokkade ook een
eigen hormonale werking, waardoor het testosteron bij gebruik van dit
middel wel castraat wordt. Androcur wordt nog maar weinig voorgeschreven.
Het langst op de markt is flutamide. Flutamide werkt snel maar kort, het
moet dan ook 3x per dag geslikt worden. Meestal worden bicalutamide of
nilutamide voorgeschreven. Ze werken langer dan flutamide en hoeven maar 1
x per dag genomen te worden. Wat betreft bijwerkingen is er niet veel
verschil tussen deze 3 middelen. Naast borstvergroting en gevoelige
borsten treden soms leverfunctiestoornissen en misselijkheid op.
MIDDELEN WERKZAAM DOOR VERMINDERING DHT-PRODUCTIE
In de prostaat wordt testosteron door het enzym 5-alfa reductase deels
omgezet tot dihydrotestosteron, kortweg DHT. 5-alfa reductase remmers
blokkeren dit proces deels. Deze remmers worden soms voorgeschreven in de
setting van een ADT3 behandeling of als aanvulling bij monotherapie met
een anti-androgeen. Hun belangrijkste toepassing is bij goedaardige
prostaatvergroting, waarbij ze zowel het prostaatvolume als het PSA met
ongeveer de helft doen verminderen. Finasteride als aanvulling bij
monotherapie met een anti-androgeen voor prostaatkanker geeft een sterkere
PSA-daling dan het anti-androgeen alleen. Het enthousiasme voor ADT3 is
gering aangezien met een castraat testosteronniveau en receptorblokkade
het extra effect van finasteride marginaal wordt geacht.
Merknamen
Er zijn 2 5-alfa reductase remmers in Nederland verkrijgbaar: finasteride
(Proscar), dutasteride (Avodart). Mogelijk heeft Avodart een krachtiger
effect. Een opvallende bijwerking bij sommige kale mannen is het weer
opkomen van haar. Overige bijwerkingen zijn impotentie en libidoverlies
(in minder ernstige mate dan bij LHRH analogen en bij minder dan 10% van
de patiënten). Verder neemt het volume van het ejaculaat af.
MIDDELEN WERKZAAM DOOR ONDERDRUKKING VAN
BIJNIERANDROGENEN
De ruwe stof voor androgenen is cholesterol. Via een aantal enzymatische
omzettingen door zg. aromatasen worden tal van bijnierandrogenen en
testosteron geproduceerd. Aromatase-remmers verhinderen dit proces en
schakelen daarmee de mogelijke bijdrage van bijnierhormonen aan de groei
van prostaattumoren uit.
Aromatase-remmers verhinderen niet alleen de productie van androgenen maar
onderdrukken ook gedeeltelijk de productie van cortisol, een ander hormoon
van de bijnier met belangrijke functies bij het reguleren van lichamelijke
stress-situaties en het goed functioneren van het immuunsysteem. Om het
tekort aan cortisol op te vangen wordt om die reden de aromatase-remmer
gecombineerd met een cortisolvervanger, meestal hydrocortison of prednison
in lage dosering.
Hydrocortison en prednison hebben zelf ook een tumor onderdrukkend effect,
vandaar dat moeilijk is uit te maken wat het werkelijke aandeel is van de
aromatase remmer in het geval van PSA-dalingen.
Behandeling met aromatase-remmers gaat vaker gepaard met meer bijwerkingen
dan de andere tot nu toe besproken middelen. Ook de cortisol-vervangers
hydrocortison en prednison kennen tal van bijwerkingen. Aromatase-remmers
worden dan ook vrijwel uitsluitend ingezet als toevoeging bij ADT1 of 2,
wanneer deze niet meer voldoende werken.
Merknamen
Er zijn in Nederland 3 soorten aromatase-remmers op de markt: ketoconazol
(Nizoral), anastrozol (Arimidex) en aminoglutethimide (Cytadren, Orimiten).
Belangrijkste bijwerkingen van ketoconazol zijn gebrek aan eetlust,
misselijkheid, leverfunctiestoornissen en overgevoeligheid voor zonlicht.
Verder zijn er tal van interacties met andere geneesmiddelen. Dezelfde
bijwerkingen komen in meerdere of mindere mate voor bij aminoglutethimide,
waarbij daarnaast vooral in het begin ook moeheid en koorts voorkomen. Ook
hydrocortison en prednison kennen tal van bijwerkingen waarvan de
belangrijkste: maagzweer en ontstaan van suikerziekte. Niettemin zijn er
ook patiënten die behandeling met een aromatase-remmer en
cortisolvervanger goed verdragen of slechts lichte hinder ondervinden.
HORMONALE THERAPIE IN DE PRAKTIJK
Tot ongeveer het eind van de tachtiger jaren lagen de zaken betrekkelijk
simpel. Er was geen PSA, er waren geen LHRH analogen en geen anti-androgenen.
Er werd alleen behandeld als er symptomen waren. Bij plasproblemen door
lokale tumoren bestond de behandeling uit het verrichten van een TURP
(Trans Urethrale Resectie vd Prostaat, dwz het uitschrapen van
prostaatweefsel rond de afgeknelde plasbuis). Bij symptomatische
uitgezaaide tumoren was de behandeling orchiectomie (meestal) en/of
oestrogenen.
PSA stuurt het handelen
PSA dicteert het medisch handelen bij prostaatkanker. Werd vroeger een
patiënt alleen behandeld wanneer er pijn of andere symptomen optraden,
sinds de komst van PSA behandelt men een getal, waarbij de patiënt in de
regel niets mankeert. Dit kan men vervreemding noemen en blijft medisch
ethisch gezien een hachelijke onderneming, aangezien de patiënt door de
bijwerkingen en lange termijn effecten van de behandeling er meestal op
achteruit gaat. Dit wordt geaccepteerd als de prijs die men moet betalen
voor de veronderstelde verlenging van het leven die hier tegenover staat.
Deze levensverlenging is weliswaar aannemelijk, maar zeker is het niet. Er
is nooit een vergelijkend onderzoek gedaan tussen een groep waarbij men
het PSA liet oplopen tot er symptomen optraden en een groep die men direct
behandelde op grond van een verhoogd PSA. Situaties verschillen. Een
patiënt bij wie het PSA in enkele weken verdubbeld is natuurlijk een heel
andere dan een patiënt met PSA stijgingen met een verdubbelingstijd van
een paar jaar of meer. Om de laatste patiënt op grond hiervan jaren
achtereen hormonale therapie te laten ondergaan kan op z’n minst
vraagtekens oproepen. Niettemin is het in de reguliere geneeskunde
gebruikelijk geworden iedere PSA-stijging te behandelen. Een positieve
ontwikkeling is het geleidelijk aan populairder worden van intermitterende
therapie. Hierdoor wordt de belasting van de patiënt door de behandeling
sterk gereduceerd.
ADT1, 2 of 3?
Zoals in het begin is besproken produceren naast de testikels ook de
bijnieren testosteron, zij het in veel geringere mate. Theoretisch gezien
is het daarom zinnig naast en LHRH analoog een anti-androgeen bij te geven.
Het nut hiervan in de praktijk is echter omstreden. Sommige vergelijkende
studies geven een licht (niet statistisch-significant) voordeel van ADT2
boven ADT1, bij andere studies is er geen verschil. De beoordeling van
deze studies is niet erg makkelijk omdat in de verschillende studies de
onderzochte patientengroepen vaak niet hetzelfde zijn en/of omdat
verschillende anti-androgenen gebruikt worden. In de vakpers wordt al
jaren lang gedebatteerd over deze kwestie zonder dat overeenstemming is
ontstaan. Grof gesproken is het Amerikaanse beleid meestal ADT2 en de
Europese ADT1. Mijn theoretische bezwaar tegen ADT2 berust op het feit dat
antiandrogenen op termijn als voedsel kunnen gaan dienen (zie boven) voor
de tumor. Om die reden is het mijns inziens verstandiger een anti-androgeen
pas toe te voegen als het PSA gaat stijgen op ADT1 of als met ADT1 niet
voldoende PSA daling wordt bereikt. Ook resulteert het achter de hand
houden van het anti-androgeen in minder bijwerkingen.
Het voordeel van ADT3 is omstreden en ook op theoretische gronden niet erg
aannemelijk. Immers de receptoren zijn afgeplakt door het anti-androgeen
waardoor de mogelijke omzetting van testosteron en andere
bijnierandrogenen naar DHT niet meer schadelijk kan zijn. Anderzijds zijn
alfa-reductase remmers vrijwel zonder bijwerkingen, dus veel kwaad kan het
ook niet. Theoretisch interessanter is ADT2 met een een
alfa-reductaseremmer in plaats van een anti-androgeen naast de LHRH
analoog. Merkwaardig genoeg wordt dit zelden gegeven.
Catabole effecten van ADT
De basis van de ADT behandelingen, LHRH, is verantwoordelijk voor de
belangrijkste ongewenste lange termijn bijwerkingen. Door het wegvallen
van testosteron, een anabool steroïd, ontstaan catabole (weefselafbrekende)
effecten: bloedarmoede, spierzwakte, botontkalking. Vooral nu hormonale
behandeling vaak jaren achtereen gegeven wordt gaat dit zwaar wegen.
Bloedarmoede bij een oudere man met al een zwak hart kan afgezien van
chronische vermoeidheid tot escalatie van hartproblemen leiden.
Spierzwakte en botontkalking leiden gemakkelijk tot botbreuken, die op
oudere leeftijd ernstige consequenties kunnen hebben.
Een van de voordelen van intermitterende therapie is dat de periode van
blootstelling aan ADT wordt verkort, vaak tot meer dan de helft.
Alternatieven voor ADT: anti-androgeen monotherapie of oestrogenen
De hierboven beschreven catabole effecten van ADT komen niet voor bij
monotherapie met een anti-androgeen of bij behandeling met oestrogenen.
Bij monotherpaie is het testosteron hoog of hoog normaal waardoor er een
anabool (weefselopbouwend) effect op botten en spieren blijft bestaan. Bij
behandeling met oestrogenen komt het testosteron wel in de castraat range,
maar oestrogenen zelf hebben net als testosteron een anabool effect.
Tegenover dit belangrijke lange termijn voordeel staan ook nadelen. Zowel
bij monotherapie als bij oestrogenen treedt borstvorming op en dit kan
aanzienlijk zijn. Bij oestrogenen is de kans op trombose verhoogd. De kans
hierop is minder bij pleisters. Bij pleisters komen de oestrogenen via de
huid direct in het bloed. Bij het slikken van oestrogenen wordt een deel
in de lever omgezet tot stofwisselingsproducten die de stolling bevorderen.
Pleisters verdienen daarom de voorkeur.
De effectiviteit van monotherapie met anti-androgenen bij gemetastaseerde
prostaatkanker bleek iets minder dan bij castratie (gemiddeld 6 weken
kortere overleving in een vergelijkend onderzoek met een observatieduur
van 100 weken). In de tachtiger jaren, toen veel vergelijkend onderzoek
gedaan werd tussen oestrogenen en LHRH analogen, bleken beide
behandelingen even effectief wat betreft sterfte aan prostaatkanker,
echter de sterfte door hartziekten (trombose) was bij oestrogenen
aanmerkelijk hoger. Hierbij moet aangetekend worden dat het gebruikte
oestrogeen DES betrof, een synthetisch oestrogeen met waarschijnlijk een
nog grotere kans op trombose dan natuurlijke oestrogenen. Bovendien werd
het geslikt en in hoge doses. Over oestrogeen pleisters zijn nog geen
goede vergelijkende data met castratie of ADT.
Samenvattend, er zijn tal van afwegingen te maken. Beginnen met ADT1, 2 of
3 of in plaats daarvan monotherapie met een anti-androgeen of
oestrogeenpleisters? Continu of intermitterend? Een eenduidig algemeen
geldend antwoord hierop is niet mogelijk.
HORMOONONAFHANKELIJKE PROSTAATKANKER (HRPC)
Na verloop van tijd raken tumoren ongevoelig voor hormonale behandeling.
In een zeer klein aantal gevallen slaat hormonale therapie helemaal niet
aan, soms maar enkele maanden, maar veel vaker vele jaren.
Jarenlange PSA-respons wordt vooral gezien bij vroege behandeling bij
symptoomloze patiënten. Bij symptomatische metastasen bedraagt de
gemiddelde tijd tot het ongevoelig worden voor hormonale behandeling
tussen de 1 en 4 jaar. Het is moeilijk de vele studies op dit gebied
onderling te vergelijken. Niet altijd is AAWR geprobeerd, vrijwel nooit
wordt van anti-androgeen gewisseld en heel vaak worden geen secundaire
behandelingen zoals met Nizoral of oestrogenen ingesteld. Van HRPC kan men
pas spreken als alle behandelingsopties zijn uitgeput.
Mogelijke mechanismen van hormoononafhankelijkheid
Er zijn 2 theorieën die het hormoonongevoelig worden van prostaatkanker
verklaren.
De eerste theorie heet het Environmental Adaption Model. Deze theorie gaat
ervan uit dat in het begin alle tumorcellen hormoongevoelig zijn. Als
gevolg van de castraattoestand door ADT of oestrogenen of door het
onschadelijk maken van testosteron door anti-androgenen gaan de
kankercellen muteren zodat ze zich kunnen aanpassen aan de veranderde
omstandigheden en zonder testosteron toch kunnen groeien en delen. Volgens
deze visie is de hormonale behandeling zelf de oorzaak van de
hormoonongevoeligheid. Dit is een van de redenen voor enige
terughoudendheid bij zeer vroege hormonale behandeling, bijvoorbeeld bij
minimale PSA stijgingen na een lokale behandeling. Op grond van deze
theorie heeft intermitterende behandeling, naast perioden van afwezigheid
van bijwerkingen, ook potentieel therapeutische voordelen. Door het
testosteron in een “off-periode” weer te laten stijgen wordt het
mutatieproces gefrustreerd.
De tweede theorie is het Environmental Selection Model. Hierbij neemt men
aan dat al vanaf het allereerste begin tumoren zijn samengesteld uit
hormoon afhankelijke en hormoon onafhankelijke klonen. De eerstgenoemden
gaan te gronde door hormonale therapie terwijl de laatsten, hoe gering in
aantal in het begin ook, ongemoeid kunnen blijven doorgroeien en
uiteindelijk klinisch van betekenis worden. Op grond van deze theorie zou
men naast hormonale therapie ook nog een andere behandeling moeten
instellen, bijvoorbeeld chemo.
BESLUIT
Prostaatkanker is uniek vanwege z’n grote gevoeligheid voor hormonale
behandeling. Dankzij hormonale behandeling is ook bij gemetastaseerde
tumoren de overleving stukken langer dan bij andere vormen van kanker. Ik
neem aan dat het duidelijk is geworden dat er keuzes gemaakt kunnen worden
en hoop hiermee een bijdrage geleverd te hebben aan het maken van een
goede keuze voor uw situatie. Ik heb hier alleen de zg. reguliere
behandelingen besproken. Er zijn echter ook supplementen en alternatieve
middelen met hormonale werking die succesvol zijn. De bespreking hiervan
valt echter buiten het bestek van dit artikel.
© H.J. Scholten, 2005
|